juridische analyse

Juridische analyse: VGV binnen het nieuwe strafwetboek 

Vanaf 8 april 2026 wordt de strafbaarstelling van vrouwelijke genitale verminking in het huidige artikel 409, §1-§6 Sw. vervangen door de artikelen 206 tot en met 213 van het nieuwe strafwetboek. Binnen het nieuwe Strafwetboek wordt het misdrijf ondergebracht onder titel 3 “Misdrijven tegen personen”, hoofdstuk 4 “Misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit”, afdeling 1 “Opzettelijke misdrijven tegen de fysieke of psychische integriteit”, onderafdeling 2 “Vrouwelijke genitale verminking”.  

Hieronder kunnen jullie een beknopte analyse raadplegen van de belangrijkste verschillen tussen het oude en het nieuwe strafrechtelijke kader voor wat betreft VGV. 

Strafmaat

Het oude strafwetboek werkte met vaste strafvorken (3–5 jaar, 5–7 jaar, enz.) op basis van de indeling van misdrijven in misdaden, wanbedrijven en overtredingen die zullen verdwijnen. Het nieuwe strafwetboek gaat uit van een nieuwe schaal van hoofdstraffen, onderverdeeld van niveau 1 tot 8. De basisincriminatie van VGV (nieuw art. 206 Sw.) wordt bestraft met een straf van niveau 3, wat overeenkomt met een gevangenisstraf van meer dan drie jaar tot ten hoogste vijf jaar. Inhoudelijk blijft de zwaarte van de basisbestraffing dus gelijk. Het verschil ligt dan ook eerder in de systematische inbedding binnen het nieuwe strafwetboek. 

Zwaardere straf bij poging 

In tegenstelling tot het oude artikel 4091, 2de lid Sw., waar de poging werd bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar, bevat artikel 206 Sw. géén afzonderlijke bepaling inzake poging. De strafbaarheid van de poging vloeit voort uit het algemeen deel van het nieuwe strafwetboek. Art. 91 Swstelt voortaan dat de poging van de misdrijven die onder titel drie (misdrijven tegen personen) worden opgenomen, bestraft worden met dezelfde straf als het voltooide misdrijf. In het geval van VGV is dit aldus niveau 3 (gevangenisstraf van meer dan drie jaar tot ten hoogste vijf jaar) wat een opvallende strafverhoging zou uitmaken indien het om een poging zou gaan 

Lichtere straf bij aanzetten tot of reclame maken voor VGV 

Bij het aanzetten tot of reclame maken voor VGV zien we dan weer een strafvermindering ten opzichte van het oude artikel. Dit gedrag wordt voortaan afzonderlijk strafbaar gesteld in artikel 211 Sw. en bestraft met een straf van niveau 2 en niet langer hetzelfde als het basismisdrijf 

Winstbejag

Ook artikel 409, §2 Sw. wordt vervangen door artikel 207 Sw. Waar de oude bepaling voorzag in een opsluiting van vijf tot zeven jaar bij winstbejag, wordt dit in het nieuwe systeem vertaald naar een straf van niveau 4, wat materieel neerkomt op een straf van meer dan vijf jaar tot ten hoogste tien jaar.

Stabiliteit wat betreft de gevolgen van VGV 

Waar het oude artikel 409, §3 Sw. een opsluiting van vijf tot tien jaar koppelde aan een ongeneeslijk lijkende ziekte of een arbeidsongeschiktheid van meer dan vier maanden, sluit artikel 208 Sw. aan bij het algemene letselbegrip van een ‘integriteitsaantasting van de derde graad’. Deze bepaling wordt eveneens bestraft met een straf van niveau 4, wat inhoudelijk identiek blijft. 

Ook de regeling inzake VGV met de dood tot gevolg blijft inhoudelijk behouden. De vroegere opsluiting van tien tot vijftien jaar (art. 409, §4 Sw.) wordt omgezet in een straf van niveau 5 (art. 209 Sw.), wat materieel gelijk is aan de oude strafmaat. De hervorming betreft hier dus voornamelijk een hercodificatie binnen het nieuwe sanctiestelsel.

Minderjarige 

Daarnaast leidde in het oude strafwetboek de uitvoering van VGV op een minderjarige door een ouder, familielid in de opgaande lijn of een andere persoon die gezag over het slachtoffer uitoefent of voor diens bewaring instaat (art. 409, §5 Sw.) tot een automatische strafverhoging van de straffen in §1-4, onder meer door de verdubbeling van het wettelijk minimum van de gevangenisstraf en een verhoging met twee jaar in geval van opsluiting. Echter, het nieuwe strafwetboek kiest voor een andere benadering.  

Minderjarigheid en kwetsbare toestand leiden voortaan tot een hoger strafniveau ten opzichte van de basisincriminatie, waarbij de exacte verhoging afhangt van de ernst van de gevolgen (nieuw art. 210 Sw.).  

    • Indien de feiten een integriteitsaantasting van de derde graad tot gevolg hebben, wordt een straf van niveau 5 opgelegd (gevangenisstraf van meer dan 10 jaar tot ten hoogste 15 jaar).
    • Indien de feiten de dood tot gevolg hebben, geldt een straf van niveau 6 (gevangenisstraf van meer dan 15 jaar tot ten hoogste 20 jaar).  

De familiale band met het slachtoffer wordt niet langer als een automatische strafverzwarende omstandigheid beschouwd, maar als een element dat de rechter in overweging neemt bij de keuze en de zwaarte van de straf, binnen het vooraf bepaalde minimum en maximum kader.  

Artikel 212 van het nieuw Strafwetboek preciseert bovendien een bijkomende verzwarende factor wanneer het misdrijf wordt gepleegd in het bijzijn van een minderjarige wat overeenkomt met het oude artikel 409, §6. Met artikel 213 Sw. wordt ten slotte een nieuwe bijkomende straf ingevoerd, met name de mogelijkheid om de onwaardigheid om te erven uit te spreken voor alle vormen van vrouwelijke genitale verminking. Dit met uitzondering van de gevallen waarin de dood het gevolg is, aangezien dit reeds is voorzien in art. 4.6, §1 Burgerlijk Wetboek (Boek 4).

Exit